HEEMLAND 22 (kerst 2001)

 

Een andere kijk op Nederlanderhaat

In Heemland 21 (augustus 2001) staan twee artikelen die inhoudelijk veel raakvlakken hebben. Het zijn de artikelen "De Iman" van E. den Hollander en "Islam en leefruimte" van Mart Giesen. Als gemeenschappelijke elementen zie ik het culturele conflict tussen Nederlanders en migranten, de zwakke houding van de Nederlandse overheid en het kennelijke onvermogen van Nederlanders om zichzelf te blijven.

Ik heb veel waardering voor beide artikelen, maar ze bekijken het onderwerp voornamelijk vanuit de politiek. Daarom wil ik graag een visie vanuit de biologie en antropologie geven.

Mensen hebben altijd groepen gevormd om te kunnen overleven. Het maken van afspraken over hoe men zich dient te gedragen binnen en buiten de groep heet het instellen van normen en waarden. In streken zoals Nieuw-Guinea en de Kalahari hebben wetenschappers eenvoudige samenlevingen kunnen bestuderen. Deze mensen leven van jacht, het verzamelen van vruchten en wat extensieve landbouw. Ze leven in kleine groepen, waarvan de leden elkaar allemaal persoonlijk kennen en dagelijkse contact hebben. Contacten met leden van buiten de groep zijn zeldzaam, omdat deze wijze van leven een groot gebied vereist. Een stam van enkele honderden personen heeft minimaal een gebied nodig van honderd vierkante kilometer om te overleven. Er zijn sporadische contacten met andere stammen, om inteelt te voorkomen en om handel te drijven. Men reist te voet, zodat deze meerdere dagen in beslag nemen.

Deze samenlevingen kenmerken zich door informele structuren, met een minimum aan materiële cultuur. Het zijn gesloten, statische organisaties, waarvan de homogeniteit van de groep centraal staat in de overlevingsstrategie. Van de groep kan men alle steun verwachten, van daarbuiten weinig of niets. Er is weinig te merken van een toeziende overheid.

Al naar gelang de mogelijkheden van het fysieke milieu waarbinnen de eenvoudige samenleving opbloeide, ontwikkelde die zich naar meer complexiteit. Er groeide een hoog ontwikkelde geïndustrialiseerde samenleving, zoals we die kennen in Nederland. Deze samenleving is sterk geformaliseerd, er is een toeziende overheid die algemene normen en waarden stelt, de groep is sterk uitgebreid (16 miljoen) en is onoverzichtelijk en divers van samenstelling. Een bepaald persoon zal dagelijks meer onpersoonlijke, formele contacten hebben dan contacten met leden van zijn familiegroep. De materiële cultuur is sterk ontwikkeld en is belangrijker dan de niet-materiële. Het is een open, zeer dynamische organisatie, die van zijn leden eist dat ze in staat zijn om wisselende samenwerkingsverbanden aan te gaan met mensen die leden zijn van andere groepen met soms zeer afwijkende achtergronden. Door de formele netwerken is het mogelijk om steun te krijgen van onbekenden (de overheid).

In Europa heeft de overgang van de starre, agrarische samenleving naar de moderne zich voltrokken in enkele eeuwen. Het laatste deel van dit proces staat bekend als de Industriële Revolutie (ca. 1750). De samenleving is veranderd, maar het brein van de mens dat vele duizenden jaren was ingesteld op het leven in kleine groepen van bekenden, is nog niet in alle opzichten aangepast. De gevolgen zijn al vaak beschreven: vervreemding (Karl Marx), het verlies van geborgenheid in de samenleving, sociale ontworteling, heimwee naar vroeger, enzovoort.

De ontwikkeling naar een meer ingewikkelde samenleving heeft zich natuurlijk ook voorgedaan in de herkomstlanden van de immigranten, soms zelfs nog sneller dan in West-Europa. In de herkomstlanden bepalen de structuren van de eenvoudige samenleving echter nog het economische patroon. Mens en maatschappij hebben daar nog niet zo veel tijd voor de omschakeling gekregen als in Europa historisch het geval was.

De sociale ontworteling en economische omwenteling zijn mede oorzaak van de immigrantenstroom naar landen met meer hulpbronnen, net zoals Europese migranten in de 18de en 19de eeuw in grote aantallen wegtrokken naar Amerika en Australië. Zij troffen echter geen bestaande samenleving aan, die al ingericht was en konden hun eigen ideeën daaromtrent gestalte geven.

Migranten treffen in West-Europa weliswaar een samenleving aan die meer mogelijkheden biedt, maar tegelijkertijd van hen nog meer aanpassingen verlangt dan zij gewend waren. De moeilijkheden die zij daarbij ondervinden, zijn een belangrijke drijfveer om geborgenheid en erkenning te zoeken bij andere migranten, met wie zij de herinnering aan de minder gecompliceerde samenleving delen.

Dit is een herkenbaar gedragspatroon. Oudere Nederlanders verlangen vaak terug naar de tijd van hun jeugd, terwijl jongere Nederlanders in vreemde culturen en verre landen een warmte en eenvoud zien die voorbehouden is aan de eenvoudige samenleving die wij in West-Europa zelfs in de verste uithoeken van het platteland nauwelijks nog aantreffen. Het reizen naar verre landen, het tweede huis om 'eruit' te zijn, de interesse voor andere culturen (van gevlochten manden tot reiki) duidt op het willen aanvullen van bepaalde belevingswaarden in de eigen wereld.

Ik hoop hiermee voldoende duidelijk te hebben gemaakt dat de formalisering van onze samenleving op gespannen voet staat met het gekend hebben van minder formele toestanden dan wel het bewust verlangen daarnaar. Het is deze spanning die zich uit in onbehagen omtrent bepaalde culturele ontwikkelingen en wordt vaak verwoord als 'Nederlanderhaat'.

Het vertaalt zich in een zich terugtrekken in een psychologisch isolement (ontkengedrag, vermijdgedrag) en bij sommigen in het idealiseren van verre, minder ontwikkelde culturen en van de migranten als vertegenwoordigers daarvan.

Overigens ziet men dit verschijnsel ook buiten Nederland. In de VS, Canada en Australië bestaat een ambivalente houding van de westerse (migranten) ten opzichte de primitieve (autochtone) bewoners.

Maar ook vóór onze tijd bestond dit verschijnsel al. In de Middeleeuwen bestonden er mythen over een Gouden Tijdperk (Atlantis, de hof van Eden) waar de mens in harmonie leefde met zijn natuurlijke omgeving. De ontdekking van Amerika inspireerde schrijvers tot het maken van vergelijkingen tussen de Indianen en de bestaande mythen (1). Toen in de 16de eeuw begon het kapitalisme zich sterk te ontwikkelen in Europa, vormden de eenvoudige samenlevingen van Amerika voor veel schrijvers een handvat voor maatschappijkritiek op Europa. Uiteindelijk ontstond in de 18de eeuw het concept van 'de nobele wilde' (Defoe, Rousseau), dat in cultuurhistorisch opzicht doorwerkt tot in onze tijd (2).

Adriaan de Jong

 

  1. I. Tod en M. Wheeler "Utopia", 1978.
  2. Voor een uitwerking hiervan zie T. Lemaire "De indiaan in ons bewustzijn", 1986.





Terug naar
Heemland 2001

Terug naar hoofdbladzijde Heemland

Terug naar Heemland 22, Ten geleide

 

 

Zie Heemland 21, De Imam

Zie Heemland 21, Islam en leefruimte

Terug naar Heemland 21, Ten geleide

 

 

 

Einde van Heemland 22

Naar Heemland 23, Ten geleide

e-post: heemland@heemland.nl