HEEMLAND 19 (kerst 2000)

 

LASTENDALING VOOR DE GEMEENSCHAP

Het is een hardnekkig misverstand dat lastenverlichting voor burgers slechts te realiseren is door belastingverlaging van inkomsten uit arbeid en door verstrekken van specifieke subsidies. Dit misverstand lijkt in politieke kringen tot dogma verheven te zijn. Men beroept zich bij zowel links als rechts (liberaal) op eerlijke prijsvorming via de zogeheten ‘vrije markt’. Het concept van die vrije markt mag enigszins opgaan, voor huishoudelijke artikelen en voedingsmiddelen bijvoorbeeld, vanwege reële mededinging tussen vele kleine en grote ondernemingen mits kartelafspraken bestreden kunnen worden, maar verder is de ‘vrije markt’ een mythe.
Bij de ondernemingen die ontstaan na privatisering en liberalisering van voormalige overheidsbedrijven en diensten in de nutssector, is er geen sprake van concurrentie op het nivoo van de klant, want de netwerk-exploitanten, de laatste schakels waar de verbruikers van de nutsvoorzieningen de rekening van krijgen, zijn en blijven monopolies. Onderlinge prijsafspraken zijn toch onontkoombaar? Of krijgen we soms ondergronds drie gasleidingnetwerken van drie verschillende, elkaar beconcurrerende gasbedrijven? Is dat dan ‘duurzame economie’ ?


Voor de burgerij is de gehele liberaliseringsoperatie een duur economisch experiment dat de ‘terugtredende’ overheden veel liquide gelden oplevert door de verkoop van staatseigendommen die ooit stukje bij beetje wel betaald zijn door de burgerij zelf via belastinggelden en accijnzen om de installaties en netwerken te laten bouwen. In plaats van deze gelden na verkoop van nutsbedrijven aan de burgers te schenken, hebben de overheden deze gelden in eigen zak gestoken en er totaal andere zaken van bekostigd en het bedrijfsleven begunstigd. Verlaging van de kosten voor geleverde producten van nutsvoorzieningen zoals eerst in het vooruitzicht gesteld is, is nergens het geval; integendeel de liberaliseringskosten en de overheidsbelasting en accijnzen op de geleverde producten zoals electra, gas, vaste telefonie en televisie zijn fors gestegen. Niet anders is het met het kostennivoo en de dienstverlening bij onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting. Terwijl de overheid zich gedeeltelijk terugtrok uit het bestuur en beheer ervan zijn de kosten nog verder opgeschroefd. Voor veel burgers zijn deze vaste lasten grote kostenposten in het huishouden geworden die het vrij besteedbaar inkomen tot een laag bestaansnivoo hebben uitgehold.


Terwijl in het bedrijfsleven de beloningen de economische ontwikkeling volgden, zijn de salarissen in de publieke sectoren, vast te stellen door de ministers, nagenoeg beperkt gebleven tot compensaties voor de officiële "inflatie’ waardoor thans
jongeren er terecht niet voor voelen om in dienstverlenende beroepen in onderwijs en gezondheidszorg aan de slag te gaan. De kosten van het management en de begeleidende burocratie zijn in deze publieke sectoren wel sterk toegenomen tot tweederde van de personeelskosten, over zelfbegunstiging van de bovenlaag bij instellingen gesproken. Je zou mogen verwachten dat er veel minder nodig zou zijn op de betreffende departementen van Onderwijs, Gezondheidszorg en Volkshuisvesting, vanwege het kostenverhaal op de burgerij met hogere premies, lesgelden en huren; maar dat nu, is misgerekend ! Integendeel, de uitgaven rijzen de pan uit, elk jaar weer meer.

Waar is dan in deze sectoren het geld bij bakken naartoe gedragen? Waar heeft de overheid al die miljarden uit de verkoop van staatseigendommen en de meerbaten van publieke diensten gelaten ? Het is allemaal op, want pas sinds 1999 horen we van meevallers of overschotten aan de inkomstenkant van de Rijksbegroting die nu in de miljarden lopen, dat zijn dus inkomsten uit belastingen e.d. die de reeds begrote inkomsten ter dekking van de ruimbegrote uitgaven overschrijden. Die uitgaven worden elk jaar beraamd met flinke ophogingen op de ingediende begrotingen. Jaarlijks weet links er nog wat bij te snoepen van de lopende begroting, dit jaar voor f 7 miljard extra.

Vanwege de jaarlijkse budgettaire verhogingen van de overheidsuitgaven en vanwege zogeheten aanpassingen aan ‘marktconforme’ prijzen van goederen en diensten met een verwijzing naar de ‘waarde’ op de ‘vrije markt’ waar geen concurrentie maar juist schaarste, monopolies en kartelvorming de prijs bepalen (zoals bij grondexploitatie en woningbouw (overheden, projectontwikkelaars, bouwers)), kunnen overheden, ziektekostenverzekeraars, woningverhuurders, en andere (semi)publieke bedrijven hun prijzen en tarieven boven-inflatoir verhogen. Lastenverlaging voor iedereen is dus doeltreffend te bereiken door een echte verlaging van de lasten voor ziektekosten, huren, studiegelden, gas, water, electra, televisie e.d., ook de absurde accijnzen en hoge BTW kunnen omlaag en enige belastingen als motorrijtuigenbelasting (MRB) en overdrachtsbelasting afgeschaft.

Pas bij absolute verlaging van zijn eigen uitgaven bindt de overheid in, wordt het financiële beleid niet-inflatoir en krijgt de burger lucht. Bovendien zou de algehele schaarste bestreden moeten worden door vermindering van de bevolkingsdruk, de voomaamste reden van de jarenlange bezuinigingen van de overheid, uitgevoerd op kosten van de middenmoot van haar matig verdienende onderdanen.
Invoering van zo’n inflatie-verminderend financieel prijsbeleid bij de overheid zelf en bij voor hun jaarlijkse toegestane indexatie bij wet van de overheid afhankelijke diensten en bedrijven zal de algemene inflatie remmen. Een rentedrukkend financieel beleid door de nationale staat wordt weer mogelijk, deels onafhankelijk van het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB). Bovendien kunnen vicieuze mechanismen als loon/-prijsspiraal en woonprijs/schaarstespiraal doorbroken worden. Prijsstabilisatie en verlaging van vaste lasten ten behoeve van alle burgers kunnen zorgen voor een getemperde loonontwikkeling.

Het wettelijk fors goedkoper maken van het huren en van het kopen van huurwoningen die hun geld meestal al dubbel en dwars voor de verhuurder hebben opgeleverd, zal leiden tot verlaging van de prijzen van koophuizen en tenslotte van het bouwen zelf, zodat ruime, goede huisvesting voor mensen met modale inkomens eindelijk in dit land binnen hun bereik komt, niet slechts voorbehouden aan hogere middeninkomens en bovenlaag. Als er iets wringt, dan is het wel het verschil van wonen in een grachtenpand of een doorkijkwoning.

Door zo’n daling van huur en koop van huurwoningen kunnen de huur- en koopsubsidies verdwijnen. Ook bij andere nutsvoorzieningen zijn door algemene verlagingen allerlei inkomensafhankelijke regelingen af te schaffen met als gevolg een afslanking van de overheidsinstellingen die deze herverdelingen uitvoeren en controleren. Zonder ‘linkse’ hocuspocus verdwijnt de ‘armoedeval’ vanzelf. En de verlagingen betalen zichzelf grotendeels terug door deze afslanking van overheidsapparaten en de afschaffing van allerhande subsidies.


Zo’n sociaal-economische politiek is niet ‘links’ (geen redistributie van opgebracht belastinggeld naar de onderkant) en niet ‘liberaal’ (geen fictie meer van de onbelemmerde ‘vrije markt’; die markt is niet vrij want door hebzuchtige ondernemers en overheden totenmet te bespelen). Deze politiek kiest voor de middenlagen, het gemene midden, waarbij de lagere inkomens geen links genadebrood hoeven te eten onder een harde kapitalistische orde. Misschien wordt zulks wel echt ‘rechts’ gevonden? De ‘mythe van de vrije markt’ en de ‘automatische indexering’ gaan dan verlaten worden.

Het vraagt wellicht ook om een ander denken over de financiering van overheidstaken en over de financiering van wonen en bouwen. Moeten bouwen en verhuren van huizen niet beschouwd worden als een soort nutsvoorziening die zorgvuldig algemeen toezicht vereist. ook op prijsstellingsgebied ?

Zeldzame sociaal-democraten als A. v.d. Zwan en H. J. Schoo uiten soms het verlangen om de verzorgingsstaat met zijn nationale, algemene solidariteit weer in ere te herstellen. Want met de bevolkingstoename van miljoenen willen de neoliberale socialisten alleen nog ‘socialistische solidariteit’ voor de ‘basis’ via de bekende ‘volksverzekeringen’, die ten onrechte nog zo heten maar geen algemene volkssolidariteit meer kennen.

Deze slechte wijziging is door de immigratie-praktijk afgedwongen als noodwendigheid: Indien men de onderlaag, van welke herkomst dan ook en wanneer dan ook hier aanbeland, tegemoet wil blijven komen met ruimhartige voorzieningen, moet het beroep en de toegang van de anderen op deze voorzieningen beperkt worden, ondanks dat die anderen er juist volop voor betalen en de onderlaag veel van de betalingen vergoed krijgt, een eenrichtingssolidariteit door sociaal selectieve preoccupatie.
Zo’n beperking wordt bereikt door beroep op regelingen inkomensafhankelijk te maken. Soms maakt ‘links' zich wel zorgen over de houdbaarheid van deze ‘socialistische solidariteit’; een gegronde vrees. De beleidskeuze voor deze eenzijdige solidariteit is verwerkelijkt door inbouw van inkomensafhankelijkheid, door afbraak van bovenminimale uitkeringen en door opschroeven van allerlei kosten van onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, kinderopvang en nutsvoorzieningen, zonder de kiezers op enig moment deze verstrekkende keuze voor dit dure neoliberale sociaal-economisch bestel ooit concreet voorgelegd te hebben.

Als argument om meer financiële middelen uit de algemene pot voor de lage inkomensgroepen te verkrijgen, wordt steevast beweerd dat er ‘publieke armoede’ is die schril zou afsteken tegen de ‘private rijkdom’. Niets is minder waar, met overheden die bulken van het vergaarde geld tegenover de armetierige leefsituatie van de meeste gezinnen en bejaarden zonder een dubbel inkomen van twee ton. Het hopeloze voor deze mensen is dat ze in het parlement geen natuurlijke vertegenwoordigers meer hebben.
Bij de belastingherziening zijn ze allerbekaaidst bedacht. De huidige parlementariërs kennen zulke problemen van armetierigheid niet (meer), noch zelf, noch in hun naaste omgeving. De gruwel om almaar meer te moeten betalen voor steeds kariger voorzieningen (soms verhoogd met ‘solidariteitsbijdragen’ zoals bij de ziektekostenpremies), die gruwel ervaren zij amper omdat hun vrij-besteedbare inkomens hieronder weinig lijden of hierdoor niet in die sterke mate afgeroomd worden als bijvoorbeeld het geval is door de ziektekosten bij een modaal gezin en door de woonlasten bij modale huurders en kopers van nu. Duurzame solidariteit vraagt om algemene lastendalingen.


Lode van Boonen

 


Terug naar Heemland 2001, 19-22

Terug naar hoofdblad Heemland

Naar Heemland 19, Boekbespreking

Naar Heemland 20, Ten geleide

 

Naar Heemland 19, Het paarse uitpersen

Naar Heemland 22, Einde van Paars, een evaluatie